Twee eeuwen fonkelend kristal van Val Saint Lambert
Wie kristal zegt, denkt spontaan aan Val Saint Lambert, de wereldvermaarde fabrikant uit Seraing. Dit jaar viert dit iconisch merk zijn 200ste verjaardag met een indrukwekkende tentoonstelling op de site waar het succesverhaal begon.

Middeleeuwse cisterciënzerabdij
Val Saint Lambert dankt zijn naam aan de plaats waar de fabriek zich twee eeuwen geleden vestigde: op de site van de voormalige middeleeuwse cisterciënzerabdij, gelegen in de Maas-vallei ten zuiden van Luik. De plaats is genoemd naar Sint-Lambertus, de patroonheilige van de stad Luik.
Doorheen haar eeuwenlange geschiedenis werd de abdij meermaals geteisterd door natuurrampen, hongersnoden, overvallen, oorlogen en branden. Vernielde delen werden heropgebouwd zodat de site verschillende architecturale stijlen herbergt. Zo brandde de abdijkerk in 1469 uit en werd ze in 1574 heropgebouwd. Twee eeuwen later onderging de abdij een grondige transformatie toen abt Gérard-Joseph de Harlez een groot deel van de gebouwen liet slopen en de Luikse architect Jean-Gilles Jacob de opdracht gaf vorm te geven aan een grote abdij met een vorstelijk abtenverblijf.
De Franse Revolutie maakte een einde aan het monnikenleven in de adbij, toen de Fransen in 1794 het prinsbisdom Luik annexeerden en de kloosters als staatsgoederen verkochten aan de ondernemende burgerij. Dit was ook het geval met de cisterciënzerabdij die in 1797 omgebouwd werd tot spinnerij, maar amper 15 jaar later al haar activiteiten moest stopzetten wegens economische moeilijkheden.

1826: eerste kristal van Val Saint Lambert
In 1825 kochten de scheikundige François Kemlin en de ingenieur Auguste Lelièvre de terreinen van de voormalige abdij. Beiden hadden kennis en ervaring opgedaan in de kristalfabriek van Vonêche die in 1778 in Beauraing was opgericht en die mag beschouwd worden als de wieg van de Europese kristalnijverheid. Toen de fabriek van Vonêche in financiële problemen raakte, besloten Kemlin en Lelièvre om het zinkend schip te verlaten en zelf een fabriek op te richten: de “Société Anonyme des Verreries et Etablissements du Val Saint Lambert”. De locatie was strategisch goed gekozen: er was brandhout voorhanden uit de omringende bossen en sinds 1828 ook steenkool uit de omliggende steenkoolmijnen; er was wit zand uit Namen, kalksteen uit Flémalle en lood uit de Luikse ondergrond.


De Villencourtbeek die vroeger de molens van de monniken aandreef, verschafte het water om de machines te laten draaien en om kristal te slijpen. De gebouwen van de voormalige abdij boden voldoende plaats voor machines en arbeiders. De stichters trokken enkele glasmakers uit de fabriek van Vonêche aan om arbeiders uit de buurt op te leiden. In 1829 beschikte de fabriek al over 20 ovens en een stoommachine. Deze laatste werd gebouwd door John Cockerill en werd gebruikt om kristal te slijpen.


Snelle groei
In 1846 werd Val Saint Lambert onderdeel van de “Manufactures de Glaces, Verres à Vitres, Cristaux et Gobeleteries”, gefinancierd door de “Société Générale de Belgique”. Het werd daarmee een van de grootste glasfabrikanten ter wereld. Het samenvoegen van de glasfabrieken zorgde voor schaalvoordeel, op technologisch én commercieel vlak. De productiemiddelen en de technieken werden uitgebreid en ook de export werd ontwikkeld. Met uitzondering van de winter van 1848, toen een economische en sociale crisis de productie deed kelderen, bleef het bedrijf groeien en ook op technisch vlak evolueren.

In 1850 verwierf Val Saint Lambert een patent voor het harden van kristal, een procedé dat twee jaar eerder was ontwikkeld door François Royer de la Bastie. Hij ontdekte dat glas, net zoals staal, de eigenschap heeft om hard te worden wanneer het plots afkoelt. Zo is het beter bestand tegen fysieke en thermische schokken, maar valt het bij breuk in zeer kleine stukjes uiteen.
In 1864 werd kunstenaar/ingenieur Camille Renard aangeworven. Dankzij hem werden nieuwe beschilderingen en vergulde versieringen op glas en opaalkristal ontwikkeld.

In 1880 breidde de fabriek uit naar 8 hallen met 20 ovens op een oppervlakte van 6.000 vierkante meter. Tegelijk werden een mallenpers en een Amerikaanse slijpmachine in gebruik genomen. Rond 1880 werd het glasblazen met perslucht voor de automatische productie van holle stukken geïntroduceerd. Datzelfde jaar vierde België zijn 50ste verjaardag met een Nationale Tentoonstelling waar enkele topcreaties van Val Saint Lambert te bewonderen waren. De directie maakte van de gelegenheid gebruik om de pers te informeren over het vooruitstrevend personeelsbeleid.
Een fabriek als een dorp
Vele werknemers waren destijds op de site geboren, als kind van een glasarbeider. Aan werknemers met kinderen werden gratis woningen toegekend, in de hoop dat de kinderen later in de leer zouden gaan bij de onderneming.

Op de site heerste orde en discipline. Dronkenschap, overlast en geweld werd niet getolereerd. Medewerkers die zich niet aan de regels van de site hielden, konden uitgesloten worden. De site was een dorp op zich, met een coöperatieve winkel waar zowel voedingswaren als kledij en andere goederen aan groothandelsprijzen verkocht werden. Elk jaar werden de winsten van de winkel uitgekeerd aan de klanten-coöperanten. De jongste kinderen van de arbeiders en bedienden konden terecht in de kleuterschool van de fabriek. Er waren ook een tekenschool, een huishoudschool en zelfs een eigen harmonie voor de arbeiders en de bedienden. Sport, muziek en ontspanning moesten de arbeiders ver weg houden van de kroegen. Er werd ook aan veilige arbeidsomstandigheden gewerkt.

Onder impuls van Georges Deprez, de toenmalige directeur, werd de fabriek in 1890 uitgebreid met een laboratorium voor analyses en praktische proeven om productieprocessen te verbeteren voor ze effectief toegepast werden in de fabriek. Zo werden er alternatieven gezocht om het risico op loodvergiftiging te verminderen. Het bedrijf had een eigen medische afdeling waar bij ongeval of ziekte de eerste zorgen konden toegediend worden. Georges Deprez trok meermaals naar Amerika om er glasfabrieken te bezoeken en nieuwe slijptechnieken te ontdekken, zoals drielaagse geslepen stukken met een kern van helder kristal.
Dankzij zijn buitenlandse reizen bleef hij de vinger aan de pols houden. Hij had goede connecties met Victor Horta, de art nouveau architect die het paviljoen van Val Saint Lambert op de Wereldtentoonstelling van Brussel in 1897 ontwierp. Het jaar daarvoor had Horta de privéwoning van Deprez in Brussel ontworpen, het zogenaamde “Hôtel Deprez-Van de Velde”. Bekende kunstenaars zoals Constantin Meunier en Edouard Masson bezochten de werkplaatsen en vereeuwigden de sfeer van toen in hun werk.

De belle époque: de gouden jaren van Val Saint Lambert
Tussen 1880 en 1914 beleefde Val Saint Lambert gouden jaren. Dankzij nieuwe technieken werd de productie opgedreven. Zo werden vanaf 1899 de complexe geslepen motieven gepolijst met zuur ter vervanging van het trage manuele proces. In 1905 startte Val Saint Lambert met de productie van kristallen dallen die onder meer gebruikt werden voor de bekleding van 4.000 vierkante meter van het Palais de la Bourse in Parijs.
Aan het begin van de 20ste eeuw was de site uitgebreid tot een fabrieksstad van ongeveer 75 hectaren en stelde ze 5.000 mensen tewerk. Ze telde 60 kantoren verdeeld over vijf continenten. 80 procent van de productie, 130 miljoen stuks, werd immers in het buitenland verkocht, onder meer in Engeland, India, Frankrijk, Turkije, Argentinië, Nederland, China, Chili, Rusland en de Verenigde Staten. Het bedrijf was aanwezig op diverse Wereldtentoonstellingen en kaapte vele prijzen weg. Geen uitdaging was te groot. Zo produceerde Val Saint Lambert 2 monumentale luchters voor de hal van het paleis van de Maharaja van Gwalior in India. Met hun 13 meter hoogte en een gewicht van 3,5 ton elk waren ze de grootste luchters wereldwijd van hun tijd. Het verhaal wil dat de architect eerst tien olifanten op de eerste verdieping liet lopen om er zeker van te zijn dat het plafond stevig genoeg was voor die zware luchters. Ook de Tsaren in Rusland waren belangrijke klanten van Val Saint Lambert.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd de productie stilgelegd, maar het onderzoek in het laboratorium liep verder. De gevolgen van de oorlog lieten zich voelen: met de val van de Tsaren verloor het bedrijf een belangrijk cliënteel. De grote depressie van de jaren dertig deed de vraag naar kristal dalen. Als antwoord op de crisis werd in 1935 de Luxval-collectie opgestart, een budgetvriendelijker alternatief in geperst glas en halfkristal in de populaire art deco-stijl van toen. Er werden ontelbare modellen van gelanceerd, in verschillende kleuren. De Luxval-reeks werd tot 1954 geproduceerd. Tijdens de Tweede Wereldoorlog focuste de fabriek op de geautomatiseerde productie van glasverpakkingen zoals confituur- en vleespotten om het land te bevoorraden.

1970: Val in verval
De jaren 1970 waren woelige jaren met veel stakingen. Om de toekomst van het bedrijf te vrijwaren, werd er ingezet op creativiteit en vernieuwing. Zo werd in 1974 een volledig nieuwe productielijn gebouwd, onder meer met een machine die glazen met voet in één stuk kon produceren en afwerken. De opeenvolgende economische crisissen deden het bedrijf echter uiteindelijk in 2013 de das om. Het feit dat de kunst van de gedekte tafel in verval geraakt was, heeft ook meegespeeld: zo was de traditie van de uitgebreide huwelijkslijsten met kristallen glasserviezen voorbij.
In 2014 volgde een heropstart waarbij nu nog altijd objecten volgens het traditionele Val-recept met 24% lood gemaakt worden. Het bedrijf is geëvolueerd van een productie op industriële schaal naar een ambachtelijke productie zodat de knowhow gevrijwaard blijft. Er werken nu vijftien mensen, elk met hun ambachtelijke vaardigheden. Het kleine team trekt ook jonge glasblazers aan die dankzij eigentijdse creaties kristal in zijn glorie herstellen en het tegelijk toekomstproof maken. Deze creaties worden gesmaakt door een nieuwe generatie kunst- en designliefhebbers. De magie, de glans en de klank van kristal overleeft alle tijden.

cristal vivant
200 jaar licht, creatie en excellentie
Tot 6 december loopt op de site van Val Saint Lambert de tentoonstelling “Cristal Vivant – 200 jaar licht, creatie en excellentie” die de twee eeuwen geschiedenis van deze kristalfabrikant belicht. Het parcours voert terug naar de allereerste oorsprong van glas, van de eerste kralen in Mesopotamië tot een overzicht van de industriële site van Val Saint Lambert in voorbije 200 jaar. En uiteraard is er veel kristal te bewonderen, afkomstig uit openbare en privécollecties, die de diversiteit van de producties van Val Saint Lambert en de rijkdom van de artistieke samenwerkingen door de geschiedenis heen tonen.

Blikvangers zijn onder meer de Vaas van de Negen Provinciën (1894), ontworpen door Léon Ledru voor de Wereldtentoonstelling van Antwerpen. Dit topstuk is 2,25 meter hoog, weegt 200 kilo en is samengesteld uit 82 onderdelen. Er is 2.000 uren aan gewerkt door 30 mensen. Een ander pronkstuk is de Hibou vaas (1925), een parel van art deco, gepresenteerd op de Internationale Tentoonstelling van Decoratieve Kunsten in Parijs. Recenter werk bewijst dat Val Saint Lambert blijft evolueren, zowel op technisch als op creatief vlak.

De tentoonstelling “Cristal Vivant”
loopt nog tot 6 december 2026
Locatie:
de Site van Val Saint Lambert, Esplanade du Val 1, 4100 Seraing
Online ticketverkoop:
www.vsl-bicentenaire.be

