Op wandel met Mathias Sercu

“Eigenlijk moet je durven vragen:
“fuck jong, gaat het een beetje?”

Acteur, scenarist en regisseur Mathias Sercu is één van de meest veelzijdige figuren in de Vlaamse theater-, film- en televisiewereld. Begin dit jaar verloor hij zijn zoon Tore aan een agressieve kanker. Tussen verdriet en passie schrijft hij aan een nieuwe langspeler. “Ik stel vast dat verschillende werelden naast elkaar kunnen bestaan.”

Het is een bloedhete zomerdag wanneer we met Mathias Sercu afspreken op de Krommewalbrug in hartje Gent. Een stalen brug op het kruispunt van drie Gentse monumenten: Patershol, de Sleepstraat en Baudelopark. Mathias, op Birkenstocks en in casual outfit, neemt ons mee over een houten brugje dat meandert langs de Leie, enkele smalle terrassen aan de achterkant van Oudburg en onder de treurwilgen door. Die specifieke bomen met hun poëtische aanblik, zal hij later tijdens onze wandeling vertellen, waren belangrijk voor zijn zoon Tore. 

Op het moment van het interview is Tore zes maanden daarvoor op 27-jarige leeftijd overleden aan agressieve vorm van de ziekte van Kahler, een vorm van kanker waarbij cellen in het beenmerg ongecontroleerd groeien. Over de ziekte en het leven met dat doodvonnis schreef het gezin een boek, maakte het een televisiereeks en gaven ze meerdere interviews. Vanuit het geloof dat het belangrijk is om te praten over verlies en verdriet. Die thema’s zullen als een rode draad door het interview lopen. Als onlosmakelijke vezels van het leven. Waarover praat een mens anders, wanneer het leven je een dreun als deze verkoopt.

Toch dendert het leven ook op andere sporen door. Dus is er ook werk. Dat speelde zich voor Mathias altijd al af op verschillende terreinen, van scenarist voor met prijzen bekroonde tv-reeksen als Chantal en Marsman, de tragikomedie J’aime la vie, als acteur in Flikken en Eigen Kweek en op het podium met zijn band De opportuniteiten. Vandaag bevindt hij zich vooral achter zijn schrijftafel waar hij werkt aan een nieuwe langspeler. Een roadtripmovie over een vader-zoonrelatie. En leven met een ziekte.

Mathias hoe voel jij je vandaag?

“Vandaag çava. Het is goed dat je het zo vraagt. Want het is een rare zomer geweest met veel flashbacks naar vorig jaar dezelfde periode. Toen ging het heel slecht met Tore. We zijn toen bijna een hele zomer in het UZ geweest. Ze zeggen dat tijd gekke dingen doet in een rouwproces. Iets dat lang geleden is, voelt vlakbij en iets wat vorige week was, lijkt zo lang geleden. Dat voel ik ook. Alles wat vorig jaar deze tijd gebeurd is, is gelijk gisteren. Maar alles wat in januari gebeurd is -het overlijden van Tore- lijkt soms zo lang geleden. Uitgerekend in deze periode belandt mijn broer Sam in het ziekenhuis. Vandaag is hij oké, maar ineens liepen mijn vrouw en ik daar weer elke dag in het UZ rond. Dat was heftig, maar gek genoeg op een manier ook bijna louterend of therapeutisch. Terwijl het nu ook echt daagt: fuck, het is voor echt. Tore komt niet meer terug.”

Een kind krijgen is alsof je hart de hele dag onbeschermd de straat ophuppelt, las ik ooit.

“Sowieso. Verdriet is nooit een competitie, maar een kind verliezen… Het verdriet slaat ook toe op momenten dat je het totaal niet verwacht. Je begon het interview met de vraag: “Hoe is het vandaag?” En ik zeg goed, maar vandaag is nog lang, ik weet het niet wat er nog komt. We lopen hier door het gezellige centrum van Gent met al zijn terrasjes… Tore deed niet liever dan samen een terrasje doen, koffietje, een boekje of kruiswoordraadsel erbij en een babbel. De terrassen zijn vaak confronterend.”

Herinneringen kunnen confronterend, maar ook troostend zijn.

“Dat helpt mij enorm. We hebben een heel mooi contact met Frauke, de vriendin van Tore. Vaak zitten we met ons vijf samen: Ilse, onze dochter Jade en haar vriend Jordy en Frauke. Dat doet altijd wreed veel deugd. Omdat we natuurlijk samen in die harde realiteit zitten. Voor de wereld is dat oud nieuws hè. De wereld draait door en dat is een pijnlijke constatering. Tore heeft een plekje op Campo Santo gekregen, met een rots en aan een bankje onder een magnolia. Het is er heel mooi zitten. Ilse en ik gaan daar bijna dagelijks naartoe, ook andere mensen zijn er vaak. Ik maak er geregeld een praatje met de mama van een jongeman die iets verderop ligt, vrienden komen er wel eens hun broodje opeten. Je leert er de mensen kennen die ook vaak komen. Uren gaan er voorbij, gesprekken worden er gevoerd. En dat doet zo’n deugd.

De begraafplaats is een ontmoetingsplek geworden. Dat maakt het een minder trieste omgeving. Op het welkomstbordje van de begraafplaats hangt ook: ‘Je mag hier wandelen, fietsen, spelen en picknicken. Als het maar met respect gebeurt’. Dat zie je ook. Er wordt gejogd, gespeeld en mensen laten er hun hond uit.”

De alledaagse dingen. Tore, en jullie als gezin, zijn altijd heel open geweest over zijn ziekte, over het lijden, het verloop en dan uiteindelijk het einde.

“Dat was in het ziekteproces van Tore ook zo. In het UZ kom je elke week dezelfde mensen tegen. Dan vraag je toch even hoe het gaat. Zo kan het verdriet er eens uit. Zonder dat het alleen maar kommer en kwel is. Ilse en ik hebben de ‘Walk of Grief’, een pelgrimstocht van 75 kilometer door de natuur van Terschelling, gedaan. We kwamen precies terecht in een teletijdmachine waar mensen wandelen, de bus nemen en met elkaar babbelen. Het neemt het verdriet allemaal niet weg, maar door de leegte te vullen met nieuwe herinneringen krijg je een soort balans.”

Hebben we niet allemaal een beetje schrik om te vragen “Cava een beetje?” Vooral dan om het antwoord te krijgen: “Nee, ‘t gaat niet.”

“Voilà. We zijn wreed gewend om te zeggen: “Alles goed, ja?” “Ja hoor, alles goed.” Eigenlijk moet je durven vragen: “Fuck jong, gaat het een beetje?” Dan is het aan mij om te zeggen: “Weet je, ik wil er nu niet over praten, maar ik ben blij dat je het vraagt. Voilà, het is aangeraakt, je bent gezien. Ilse zegt dat ook: soms lukt het niet of is er geen nood, maar ik ben altijd dankbaar als iemand ernaar vraagt. Daarmee laat je de ander weten dat hij dat volgende keer opnieuw mag doen. Kan geen kwaad hè.”

De draaidagen van het vijfde seizoen van Chantal vielen heel kort na de dood van Tore. Hoe heb je dat aangepakt?

“In het begin voelde het als verraad. Alsof ik verder ging met mijn leven terwijl dat van Tore afgepakt was. Er is een grote kloof tussen ratio en emotie in verdriet. De eerste dagen dat ik naar de Westkust moest, was er werkelijk geen vezel in mijn lijf die daar goesting in had. Ik wou alleen maar in Gent zijn, bij Ilse, Jade en thuis in onze cocon blijven. Tegelijkertijd was het ook aangenaam om te ontdekken dat ik het wel kon. Op de set komen, het kostuum van Johnny D’Haese aandoen en mij een beetje aanstellen, ging me goed af. Het was een uitlaatklep. Omdat je in een soort hyperfocus zit en een rol speelt. Ik stel vast dat verschillende werelden naast elkaar kunnen bestaan. Het zijn vooral de momenten waarop je niet acteert die moeilijk zijn. Smalltalk, dat is bijna onmogelijk. Ik ben natuurlijk gezegend met het feit dat ik geen 9 to 5-job heb en in een ongelofelijk fijne bende terechtkon. Jeroen Dumoulein, de regisseur, heeft een gouden hart en is een vriend geworden in de loop der jaren. Maaike (Cafmeyer, red.) is al jaren een vriendin en woont om de hoek. Tore is ziek geworden vlak voor de opnames van het eerste seizoen. Ze kennen allemaal het verhaal.”

We kennen je als acteur, scenarist en muzikant. Hoe staat het met andere projecten?

“Twee maanden na de dood van Tore heb ik de verhaallijnen voor een nieuw scenario geschreven. In één geut kwam het eruit. Terwijl ik tot vorig weekend, in al die maanden, nog geen ene keer mijn gitaar heb vastgepakt. Al mijn optredens met De Opportuniteiten heb ik gecanceld. Spelen en zingen dat ging gewoon niet. Maar ik voel dat het terug aan het komen is. Vandaag ben ik meer bezig als scenarist dan als acteur en schrijf ik aan een nieuw scenario voor mijn tweede film. Een project dat me heel nauw aan het hart ligt en nauw verbonden is met Tore. Het gaat niet over ons en op een manier natuurlijk wel. Net zoals bij J’aime la vie. Ik zal mezelf nooit met Nick Cave vergelijken, maar het is heel logisch dat hij ‘Ghosteen’ gemaakt heeft (het album dat Cave in 2019 uitbracht na de dood van zijn zoon Arthur, red.). Ik begrijp heel goed dat je in je atelier kruipt en er een soort loutering of uitlaatklep zoekt. Want wat wil, kan of moet je anders doen? Dat voel ik ook.”

Kan je al vertellen waarover de film gaat?

“Over een vader-zoon roadtrip naar het grootste stuwmeer van Europa in Zwitserland. Ilse, Tore en ik zijn er nog samen heen gegaan. Ik heb een foto van hem die er het uitgeprinte scenario zit te lezen. Hij zei me: “Papa als deze lukt, wordt het je meesterwerk.” Dus ik moet deze film wel maken. Het is niet ons verhaal, maar ik heb er wel veel inspiratie uit geput. Drie jaar geleden heb ik een sidecar aan mijn moto gehangen. Dat is zo’n dom, onnozel, bijna kleine-jongetjes-ding, maar het werd ons vaste vervoermiddel om naar het UZ te rijden. Ons vader-zoon momentje. Als je dan voorbijrijdt, zie je kindjes met open mond kijken en zwaaien. Als je zo ergens aankomt, ook in het ziekenhuis, glimlachen de mensen. Dichter bij Wallace & Gromit komt het niet.”

Intussen wandelen we weg van de volle terrassen, langs het Gravensteen en slaan in naar de Lievekaai. Een plekje waar Mathias even halt wil houden. Het was de plek waar Tore, tussen de ziekenhuisopnames en de periodes van isolatie door, altijd naar verlangde. Als je de plek kent, weet je waarom. Het ligt in hartje Gent, maar meer dan het ruisen van de  ingetogen treurwilgen hoor je er niet. Hun lange overhangende bladerrijen als een gordijn van troost over de kade langs het water gedrapeerd.

“In het proces van Tore’s ziekte zeiden we vaak tegen elkaar: “Fuck, wat een chance hebben wij dat we elkaar hebben.” Want we kwamen ook mensen tegen in vreselijke situaties die ruzie hadden, die niet met elkaar konden praten. Hoe verschrikkelijk moet dat zijn. Chance is een paradox in dit moment, maar het is een verdienste van ons zessen dat we dat kunnen benoemen.”

Er zijn maar weinig dingen zo zeker als deze: je wordt geboren, gaat dood en zal mensen verliezen. En toch praten we er zo moeilijk over.

“Mijn vader is heel jong weduwnaar geworden. Een man uit West-Vlaanderen in 1963 kon en mocht daar ook niet over praten. Ik merk dat er vandaag een voortschrijdend inzicht en een verschuiving plaatsvindt, dat er steeds meer organisaties zijn die helpen om te praten.”
“Ilse correspondeert geregeld met mama’s die hun kind verloren zijn. En ik ben heel bereikbaar op Instagram. Ik krijg heel veel berichten en probeer altijd te antwoorden.”

Je kan niet invullen wat de ander denkt, voelt of nodig heeft. Je weet het niet, je moet het vragen.

“Je moet leren scheiden wat van jou is en wat van een ander”. Het is een wijsheid die ik geleerd heb van Kobe, mijn broer, die al heel lang hoofdverpleger is op palliatieve zorg in Ieper. Hij heeft het op zijn beurt geleerd van een oudere zuster. Het is iets om mee te nemen wanneer je met iemand praat die verdriet heeft: jouw verdriet moet mijn verdriet niet worden. Maar dat wil niet zeggen dat ik niet kan luisteren naar jouw verdriet.”

Je schrijft, zingt, acteert… Zijn er op dit moment dingen waar je nog nieuwsgierig naar bent?

“Als ik heel, heel eerlijk ben en nu met niets zou moeten rekening houden… dan zou dit misschien het punt zijn waarop ik mij zes maanden terugtrek uit de wereld. Het eerste seizoen van Chantal hebben we gedraaid in de zomer van ‘21, dat is vijf jaar geleden. Ondertussen heb ik het tweede seizoen geschreven en gedraaid, mijn film gedraaid en afgewerkt, het derde én vierde seizoen geschreven en gedraaid, en er ligt een nieuw filmscenario klaar. In die voorbije vijf jaar heb ik gigantisch veel bedacht, geschreven en ben ik continu bezig geweest met verhalen. Ik merk wel dat ik moe ben. Sinds januari heb ik de allergrootste shift in mijn leven meegemaakt. Naast het feit dat Tore er niet meer is, is er ook vanbinnen in mij iets gigantisch weggevallen: angst. We hebben vijf jaar onbewust in angst geleefd. In een soort standby-modus, altijd klaar, altijd in een soort alarmfase. Mijn therapeut vergeleek het met een oorlog die vijf jaar geduurd heeft. En die oorlog is nu voorbij.”

Je bent uitgeput.

“Je houdt je sterk en laat dan alles los, maar je kan niet om de wetmatigheden heen. Ik moet mijn boterham verdienen en nu beslissingen nemen die een impact hebben op wat er binnen een jaar of twee jaar gebeurt, want schrijven aan films of tv-series is een heel traag proces.”

Behalve verdriet is ook creativiteit onvoorspelbaar. Maak je nu andere keuzes?

“Met Jeroen Dumoulein, een ongelooflijk vat vol energie en een geestige gast, Whatsapp ik gigantisch veel over ideeën en storylines. Als we dat doen, geeft me dat energie, al ebt die op dit moment in mijn leven direct weer weg. Ik geloof erin dat de ideeën gaan blijven komen. Ik ben een verhalenverteller en zal dat altijd zijn. Het maakt niet zoveel uit op welke manier het eruit komt: of het nu in een liedje is, in een toneelstuk of een scenario. Ik heb een basisvertrouwen in het leven, een cadeau dat ik kreeg van mijn ouders. Ik ben geen bange mens en heb ook geen schrik van mijn emoties. Het lukt niet om ja te zeggen tegen alles, maar ik hoef ook geen schrik te hebben om nee te zeggen.”

In september moet je wel een belangrijke knoop doorhakken.

“De realiteit is dat ik dan moet beslissen of er nog een vijfde seizoen van Chantal komt of niet. Dan wordt het een najaar van schrijven en is er geen weg terug, want dat is een grote, grote machine waar veel mensen aan meewerken. Wim Vanseveren vergelijkt het met aan de voet van de Mont Ventoux staan en weten dat je die al vier keer beklommen hebt en op punt staat dat weer te doen. Want acht afleveringen van 50 minuten alleen bedenken en schrijven, dat is zoals zo’n mastodont beklimmen. Punt. Chantal is een reeks waar veel mensen blij mee zijn. Als ze mij dan aanspreken in de Colruyt en ‘merci’ zeggen, dan weet je waarom je weer gaat klimmen.”